zoetwateronderzoek  (onderzoek - opdrachtgestuurd practicum)| bovenbouw h v |

biotisch vooronderzoek

floristische inventarisatie

Aan de hand van de variatie in soorten oever-, moeras- en waterplanten kan een hypothese opgesteld worden over de trofiegraad van het desbetreffende ecosysteem.

nodig:

• inventarisatielijn (lijnmethode) en/of een inventarisatievierkant (kwadrantmethode)
• werkblad: 'zoetwateronderzoek'

lijnmethode (links) en kwadrantmethode (rechts)

Om een beeld te krijgen van het gebruik van een inventarisatielijn (lijnmethode) of een inventarisatievierkant (kwadrantmethode) kan de bovenbouwpagina 'inventarisatiemethoden' van BIOdoen geraadpleegd worden.

Bedenk echter dat bij deze pagina de aantallen van een plantensoort worden geïnventariseerd en niet het aantal plantensoorten.

werkwijze:

• Gebruik de lijnmethode of de kwadrantmethode om een schatting te maken van het aantal plantensoorten in het betreffende ecosysteem. Kies aan de hand van de vegetatie in het ecosysteem een geschikte lengte- of oppervlakte-eenheid.
• Maak een schematische schets van het zoetwaterecosysteem en geef aan waar de lijn- of kwadrantmethode(n) is (zijn) toegepast.
• Vul de gegevens in op het werkblad 'zoetwateronderzoek'
N.B.
• Om de soortenvariatie te bepalen hoeven de planten niet gedetermineerd te worden.
• Plantensoorten kunnen vegetatief (zonder bloemen) op blad of bladvorm van elkaar worden onderscheiden.
• Zowel sporenplanten (mossen, varens, paardenstaarten) als zaadplanten (grassen, kruiden en heesters of bomen) dienen te worden geïnventariseerd.

abiotisch vooronderzoek

abiotisch onderzoek

nodig:

• helderheidsmeter, dieptemeter, thermometer en pH-papier.
• werkblad: 'zoetwateronderzoek'

werkwijze:

• Geef aan bij welke diepte de zwart-witte vlakken van de helderheidsmeter moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.
• Bepaal de diepte(s), de temperatuur en de pH van het zoetwaterecosysteem.
• Maak een schematische schets van het zoetwaterecosysteem en geef aan waar de metingen zijn verricht.
• Vul de gegevens in op het werkblad 'zoetwateronderzoek'

tabellen en grafieken:

zuurstofgehalte

• De hoeveelheid opgeloste zuurstof kan voor waterorganismen een beperkende factor zijn. Bij een laag zuurstofgehalte (0-3 mg/l) kunnen de meeste waterorganismen niet leven. De maximale hoeveelheid opgeloste zuurstof in water is afhankelijk van de temperatuur en van de hoeveelheid (onder)waterplanten. Overdag is het zuurstofgehalte in het water hoger dan `s avonds of `s nachts. Indien er weinig (onder)waterplanten in het zoetwaterecosysteem voorkomen, kan de hoeveelheid opgeloste zuurstof significant lager zijn dan in de onderstaande tabel.

temperatuur en zuurstofgehalte
pH

• Natuurlijke wateren hebben meestal een pH tussen de 6 en de 8 (neutraal). Vooral schaaldieren, weekdieren, plankton, insectenlarven en in mindere mate vissen zijn gevoelig voor een lage pH. De meeste waterorganismen zijn vooral gevoelig voor schommelingen in de pH.

pH-gevoeligheid van enkele waterorganismen

naslag (eventueel):

• Zoek in naslagwerken of op Internet naar de ideale abiotische factoren van een zoetwaterecosysteem.
• Vermeld de geraadpleegde bronnen.

hypothese

• Stel aan de hand van de gegevens uit het biotische en abiotische vooronderzoek een hypothese op die betrekking heeft op de waterkwaliteit van het onderzochte zoetwaterecosysteem.
• Onderbouw de hypothese met gegevens uit de vooronderzoeken.
• Vul de hypothese en motivering in op het werkblad 'zoetwateronderzoek'.


persoonlijke score

history

advertentie

advertentie

© 2018 Leon Dahmen biodoen Den Haag