geneticavraagstukken met uitwerking  (theorie - oefening)| bovenbouw h v |

stambomen

Hieronder is een stamboom afgebeeld. De eigenschappen `c` en `d` erven niet X-chromosomaal over.

2.1
1pntWelk genotype heeft persoon 4?
  • Aa
  • aa
  • AA
2.2
1pntWelk genotype heeft persoon 5?
  • Aa
  • AA
  • aa
2.3
1pntPersoon 6 kan alleen genotype 'aa' hebben.
  • [ juist ] [ onjuist ]
2.4
1pntPersoon 7 kan zowel genotype 'AA' als 'Aa' hebben.
  • [ juist ] [ onjuist ]
2.5
1pntPersoon 2 kan alleen genotype 'Aa' hebben.
  • [ juist ] [ onjuist ]

uitwerking 2.1-5

gegevens:

stamboom

vragen:

Wat is het genotype van personen 2, 4, 5, 6 en 7.

analyse gegevens:

Als er alleen gekeken wordt naar de personen 1, 2, 3 en 4 zijn de volgende genotypen mogelijk:

1: stamboom

2: stamboom

3: stamboom

Als bij persoon 1 eigenschap `c` tot uitdrukking komt en bij persoon 2 eigenschap `d` tot uitdrukking komt, is nog niet duidelijk of het allel dominant of recessief is.
Omdat bij persoon 3 de eigenschap `d` tot uitdrukking komt, kunnen de drie bovenstaande situaties juist zijn.

Als er ook gekeken wordt naar persoon 5, 6 en 7 valt één van de bovenstaande mogelijkheden af.

1: stamboom

2: stamboom

Omdat bij persoon 6 eigenschap `c` tot uitdrukking komt in het fenotype en omdat bij persoon 4 en 5 eigenschap `d` tot uitdrukking komt in de fenotypen, moet het allel voor eigenschap `d` dominant zijn over het allel voor eigenschap `c`. Persoon 4 en 5 moeten beiden drager zijn van eigenschap `c` en dus heterozygoot zijn voor deze eigenschap.
Dit is zo omdat dominante allelen altijd tot uitdrukking komen in het fenotype.

kruisingen

conclusie:

stamboom




persoonlijke score

history

advertentie

advertentie

© 2019 Leon Dahmen biodoen Den Haag