bloedcellen  (theorie - oefentoets)| bovenbouw h v |

trombocyten

Bloedplaatjes en bloedplasma spelen een rol bij de bloedstolling.

2.1
2pntplasma-eiwitten
  • in bloedplasma bevinden zich de [ oplosbare ] [ onoplosbare ] eiwitten protrombine en [ fibrinogeen ] [ fibrine ]

• protrombine en fibrinogeen worden door de lever geproduceerd
• na productie zijn deze eiwitten nog inactief
• wanneer trombocyten beschadigd raken komt tromboplastinogeen vrij
• onder invloed van tromboplastinogeen ontstaat de stof tromboplastine
• tromboplastine reageert met het protrombine uit het bloedplasma
• door deze reactie wordt van protrombine trombine gemaakt

2.2
3pnttrombine
  • trombine reageert met [ fibrinogeen ] [ fibrine ] en zet het om in het [ onoplosbare ] [ oplosbare ] eiwit [ fibrinogeen ] [ fibrine ]
2.3
1pntDoor de bovenstaande omzetting ontstaat een fijn netwerk van eiwitdraden.
  • in dit netwerk van draden blijven met name [ trombocyten ] [ leukocyten ] [ erytrocyten ] steken
2.4
1pntDoor het bovenstaande proces ontstaat een bloedstolsel.
  • door dit stolsel wordt [ weefselvloeistof ] [ bloedserum ] [ bloedplasma ] heen geperst
2.5
1pntafsluiting van de wond
  • als het bloedstolsel de wond volledig afsluit [ worden de eiwitdraden afgebroken ] [ trekken de eiwitdraden samen ]

hemofilie

Bij bloederziekte (hemofilie) kan het bloed niet goed stollen. Met name voor de vorming van tromboplastine uit tromboplastinogeen zijn meerdere stoffen nodig.

2.6
1pntbloederziekte
  • als een (of meerdere) van stoffen die de vorming van tromboplastine uit tromboplastinogeen niet in het [ bloedplasma ] [ bloedserum ] voorkomt kan het bloed niet stollen

persoonlijke score

history

advertentie

advertentie

© 2019 Leon Dahmen biodoen Den Haag